De arme grootvader
Annabee
I
Daar zit geheel het klein gezin,
Verlicht door ‘t flikkeren van den haard,
Rondom de teil met gortebrij,
Die op de tafel rookt, geschaard.Stom kijkt de man voor zich; ‘t gelaat
Der vrouw staat knorrig en verstoord;
De grootvaar kreunt en schuddebolt,
En zelfs de kleine waagt geen woord.Alleen de houten lepels gaan
In ieders hand snel op en neer,
Nu aan de teil, dan aan den mond,
En van den mond ter teile weer.Doch bij den ouden grijze wil
Het eten niet meer zoo gezwind:
Vast in de tachtig is hij reeds,
En doof, och arme! en hallef blind.Fel siddert hem de stramme hand;
En, telkens dat zij van de brij
Komt scheppen, zie! hoe ‘t oog der vrouw
Haar donker nablikt van ter zij!Want, telkens dat die stramme hand
Hem met een slok ten monde vaart,
Lekt daar al iets van op den disch,
En langs zijn grijzen stoppelbaard.En, met de vuisten in de zij,
Springt plots de vrouwe recht: ‘Bijloo!’
Roept ze uit, ‘die oude is als een kind!!
Neen, nooit morste onze kleine zoo!Mijn ammelaken, dag voor dag,
Beklast hij, dat het roept om wraak!
Maar ‘k zweer het, ‘t is de leste maal,
Dat ik me daar kwâ bloed in maak!’
Gepost in Poëzie en verhalen |
3 reacties »









Nederland - Argentinië
